Het eerste thema uit deze serie is meteen hét meest cruciale onderwijskundige thema: het pedagogisch en didactisch handelen van het team en van de individuele collega’s. Cruciaal omdat het handelen van de docent grote impact heeft op het leren en ontwikkelen van de leerling.

Ook wettelijk gezien wordt dit als een van dé meest belangrijke thema’s gezien. De standaard OP3 van het onderzoekskader is gericht op het pedagogisch-didactisch handelen. Binnen de normering van de Inspectie kan een school al voor een onvoldoende beoordeling in aanmerking komen wanneer de kwaliteit van enkel deze standaard onder de maat is.

Wettelijk gezien spelen er bij dit thema twee belangrijke vragen:

  1. Heeft de school het beleid over pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan beschreven?
  2. Is het pedagogisch-didactisch beleid zichtbaar in het dagelijks handelen van de docenten?

Pedagogisch en didactisch beleid

Ten aanzien thema 1 speelt de vraag: wat is het beleid van de school op het gebied van pedagogisch en didactisch handelen? Is dit beleid uitgewerkt in een beleidsdocument? Met andere woorden: zijn er schoolbrede didactische afspraken gemaakt over het handelen van de docent aan de start, tijdens de kern en de afsluiting van de les? En wat zijn de pedagogische uitgangspunten van de school, geconcretiseerd in zichtbaar gedrag?

De missie en visie van de school is hierbij een cruciaal onderdeel. Een school die werkt op basis van individuele leerplannen met persoonlijke leerdoelen vraagt ander didactisch docentgedrag dan een school die werkt op basis van lessen voor de gehele groep waarbij leerlingen samen aan dezelfde leerdoelen werken. Thema’s als instructie geven, de verwerking van de lesstof, feedback geven en een doelgerichte afsluiting van de les zullen daarbij een andere invulling krijgen. Hetzelfde is van toepassing op het pedagogisch handelen van het team.

Scholen kunnen dus op basis van hun visie op onderwijs een geheel eigen beleid maken ten aanzien van het pedagogisch en didactisch handelen, vaak genoemd ‘de goede les’. Aanbeveling hierbij is om ook oog te hebben voor wetenschappelijke inzichten op het gebied van leren en ontwikkelen specifiek voor de doelgroep praktijkonderwijs. Denk aan het belang van betekenisvol onderwijs, eigenaarschap van de leerlingen bij het leertraject en het thema doelgericht onderwijs.  

Het beleid zichtbaar in de les

De tweede belangrijke vraag bij dit thema: is het beleid vervolgens ook zichtbaar in het dagelijks handelen van leraren?

Scholen brengen dit thema zelf in de praktijk door bijvoorbeeld het uitvoeren van lesbezoeken voorzien van een nabespreking. Het beleid is dan doorvertaald naar observatiecriteria, vastgelegd in een kijkwijzer of digitale tool.

Aan de hand van deze kijkwijzers wordt doelgericht gewerkt aan de kwaliteit van het didactisch en pedagogisch handelen van de docenten en/of het team. Aan de hand van lesobservaties worden per docent eventuele verbeterdoelen gesteld om zo de kwaliteit van het pedagogisch en didactisch handelen te versterken. Lesbezoeken worden dan gekoppeld aan de gesprekkencyclus van de school.

Een andere manier om het beleid in de praktijk te brengen zijn collegiale consultatie en intervisie. Bij de eerste kunnen de kijkwijzers ingezet worden. Het team heeft middels deze werkwijze meer de regie op de kwaliteit van het eigen handelen.

Bij intervisie kan bijvoorbeeld een thema uit ‘de goede les’ centraal staan, zoals instructie geven of feedback op persoonlijke leerdoelen.

De Inspectie en lesobservaties

De Inspectie zelf heeft eigen criteria opgesteld voor het beoordelen van de kwaliteit van de lessen, belangrijke onderdelen hiervan zijn:

  • De leraren tonen hoge verwachtingen van alle leerlingen.
  • De leraren voor een ordelijk verloop van de les en benutten de lestijd efficiënt.
  • De leraren maken het lesdoel duidelijk.
  • Zij monitoren tijdens de les of de leerlingen het beoogde lesdoel al dan niet halen en passen hun onderwijs waar nodig aan
  • De leraren leggen de lesstof duidelijk uit en geven de leerlingen voldoende tijd om te oefenen met de lesstof.
  • Zij stemmen daarbij de instructie, de verwerking en het tempo van hun onderwijs af op de onderwijsbehoeften van individuele en groepen leerlingen.
  • De leraren geven hun leerlingen gerichte feedback op hun gemaakte werk en op hun leerproces.
  • Zij stimuleren de leerlingen na te denken over hun eigen ontwikkeling.

Bij het opstellen van een eigen beleid ten aanzien van het pedagogisch en didactisch handelen kan het beleid getoetst worden aan de hand van deze criteria. De kern is: voldoen we als school ook aan de wettelijke criteria?

Hierna wordt een voorbeeld gegeven van een school voor praktijkonderwijs die concreet werk heeft gemaakt van het thema ‘didactisch handelen’.

Binnen het praktijkonderwijs maken scholen op verschillende manieren werk van het thema eigenaarschap. Een van de belangrijkste instrumenten hiervoor zijn de coachgesprekken. Tijdens deze gesprekken komen de mentor (of andere collega’s zoals de stagebegeleider) en de leerling tot één of meerdere persoonlijke leerdoelen voor de komende periode. Deze doelen worden meestal vastgelegd in individuele ontwikkelplannen.

Het is voor docenten vaak een uitdaging om te komen tot persoonlijke leerdoelen, die zijn aangedragen door de leerling zelf, én om het werken aan persoonlijke leerdoelen in de praktijk te organiseren. 

Pro Assen heeft in schooljaar 23-24 werk gemaakt van het opstellen van een didactisch kader. Aanleiding hiervoor was de nieuwe visie van de school bestaande uit een zestal speerpunten. Een van de speerpunten was het didactisch handelen: wat is de goede les van Pro Assen? De school heeft het didactisch kader bewust losgekoppeld van het pedagogisch kader. Het pedagogisch klimaat van de school staat als een huis. Dat heeft de school ook teruggekregen van de Inspectie en tijdens visitaties. Juist op het gebied van didactisch handelen was er de wens van het team om hier gezamenlijk werk van te maken. Zo was er bijvoorbeeld geen gezamenlijke visie binnen het team op het gebied van didactisch handelen.

De school werd al begeleid door OQ Onderwijsadvies rondom het uitwerken van vakwerkplannen per vak en bij het opstellen van een nieuw schoolplan. Vanuit deze basis is de volgende stap gezet naar het didactisch handelen. Hoe willen we gaan werken bij de theorie- en de praktijkvakken? Wat verwachten wij van elkaar als docenten? En wat is dan onze goede les?

De school is gestart met lesbezoeken, uitgevoerd door OQ. Alle collega’s zijn geobserveerd op basis van een lesobservatiemodel bestaande uit met name criteria op het gebied van doelgericht onderwijs. Deze lesobservaties dienden als een 0-meting om na te gaan welke aspecten al veelvuldig worden toegepast binnen de school en waar nog winst te behalen is. De resultaten op schoolniveau zijn gepresenteerd aan de collega’s. Vanuit daar is het team in gesprek gegaan over de vraag: wat vinden wij belangrijk in een goede les? Wat zijn dé elementen van de goede les? Dit is gebundeld in een beschrijving van de goede les bestaande uit observatiecriteria en vervolgens vastgesteld door het team. De uitkomst heet het didactisch kader van Pro Assen. Het team is vervolgens ook in gesprek gegaan over de vragen: hoe gaan we het didactisch kader inzetten binnen de school? Hoe en waar kunnen we elkaar helpen en versterken?

Gevraagd naar tips voor andere scholen geeft Willemijn van der Laan, directeur van de school, aan: “van belang is dat alle collega’s zeggenschap hebben bij het opstellen van de goede les. Dit is ook gekoppeld aan de kernwaarden van onze school: vertrouwen, ontwikkeling en betrokken. In ons geval was het opstellen van het didactisch kader een logisch gevolg van de nieuwe visie en de nieuwe vakwerkplannen waarin de doelen per les helder zijn. We zijn gestart vanuit het positieve en dat werkt krachtig”.

Meer weten over het thema eigenaarschap in de vorm van praktische advisering of professionalisering? Neem dan contact met ons op.

dennis@oqadvies.nl (0618909980

wout@oqadvies.nl (0615195971)