In opdracht van de scholen (Pro en Roc) en gemeenten in de Stedendriehoek is onderzoek gedaan naar de vervolgstappen in de loopbanen van oud-leerlingen praktijkonderwijs bij uitstroom naar de arbeidsmarkt of naar een mbo niveau 2 opleiding. De doelstelling van het onderzoek was drieledig:

  1. zicht krijgen op de loopbanen van oud-leerlingen Pro met een onderscheid tussen werken en doorleren;
  2. de overeenkomsten en verschillen tussen beide subgroepen in beeld brengen én
  3. nagaan welke route het meest succesvol is: via het Pro meteen naar werk of via het Pro eerst naar het Roc en dan naar werk?
    Het onderzoek is uitgevoerd bij vijf scholen voor praktijkonderwijs
    (Arkelstein Deventer, De Boog Apeldoorn, Fruytier afd. PrO Apeldoorn,
    Praktijkonderwijs Zutphen en Praktijkschool Apeldoorn), vier Roc’s
    (Aventus, Helicon Velp, Hoornbeeck College Apeldoorn en Zone College Twello) en drie gemeenten (Apeldoorn, Deventer en Zutphen). Hierbij is gebruik gemaakt van subsidiëring vanuit Ferm.

Het onderzoek heeft betrekking op leerlingen die in de periode van 2013-2014 tot en met 2016-2017 zijn uitgestroomd uit het praktijkonderwijs. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen een tweetal subgroepen: leerlingen die meteen na uitstroom zijn gaan werken (de subgroep werken) en leerlingen die na uitstroom uit het praktijkonderwijs een mbo opleiding zijn gaan volgen (de subgroep leren).
De vijf scholen voor praktijkonderwijs hebben van 79% van de oudleerlingen de actuele situatie tot en met het kalenderjaar 2020 in beeld gebracht. In totaal gaat het dan over 406 jongeren die een opleiding gevolgd hebben bij een van de vijf scholen. Van deze jongeren behoort 47% tot de subgroep ‘werken’ en 53% tot de subgroep ‘leren’.
Per kalenderjaar is, vanaf het moment van uitstroom uit het praktijkonderwijs, in kaart gebracht of er bij de betreffende leerling sprake is van: a) werk, b) het volgen van een mbo-opleiding of c) een periode zonder werk of het niet volgen van een opleiding. Op basis hiervan is per leerling een loopbaan in beeld gebracht. Binnen het onderzoek worden vier verschillende loopbanen onderscheiden:

  1. een bestendige loopbaan: gedurende ieder jaar na het moment van uitstroom uit het Pro is sprake van werk en/of het volgen van een mbo opleiding.
  2. Een vrijwel bestendige loopbaan: gedurende één jaar na het verlaten van de school voor praktijkonderwijs was sprake van een periode zonder werk of geen opleiding.
  3. Een matig bestendige uitstroom: gedurende twee jaren na het verlaten van de school voor praktijkonderwijs was sprake van een periode zonder werk of geen opleiding.
  4. Een niet bestendige uitstroom: gedurende drie of meer jaren na het verlaten van de school voor praktijkonderwijs was sprake van een periode zonder werk of geen opleiding.

De eerste onderzoeksvraag was: hoe zien de loopbanen van de oudleerlingen praktijkonderwijs eruit? In onderstaande tabel zijn de loopbanen weergegeven naar a) de gehele Stedendriehoek, b) de subgroep ‘werk’ en c) de subgroep ‘leren’.

LoopbaanStedendriehoekSubgroep werkSubgroep leren
Bestendige uitstroom 88%84%91%
Vrijwel bestendige uitstroom5%6%4%
Matig bestendige uitstroom3%4%2%
Niet bestendige uitstroom5%8%3%

Wanneer de subgroepen ‘werken’ en ‘leren’ met elkaar vergeleken worden dan valt op dat binnen de subgroep ‘leren’ vaker sprake is van een bestendige uitstroom. Binnen de subgroep ‘werken’ is daarentegen vaker sprake van een korte dan wel langdurige periode zonder werk of geen opleiding in vergelijking met de subgroep ‘leren’.

Doelstelling 2 van het onderzoek was: welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen de subgroepen ‘werken’ en ‘leren’? Binnen het onderzoek vielen voornamelijk de volgende zaken op: 

binnen de subgroep ‘leren’ neemt het percentage niet bestendige uitstroom toe naarmate de jaren waarin jongeren zijn uitgestroomd uit het praktijkonderwijs. Bij de subgroep ‘werken’ is deze trend niet terug te zien, hier is sprake van wisselende cijfers per jaar van uitstroom.

De redenen voor een niet-bestendige uitstroom zijn veelal psychische en/of fysieke problematieken én het moederschap. Bij de subgroep ‘werken’ worden beide redenen genoemd, bij de subgroep ‘leren’ alleen de eerste reden.  

Jongeren van zowel de subgroep ‘werken’ als ‘leren’ laten vaker een bestendige uitstroom zien als ze binnen het Pro een mbo niveau 1 diploma hebben behaald. 

Jongeren binnen de subgroep ‘leren’ die binnen het Pro geen mbo niveau 1 diploma hebben behaald laten vaker een niet bestendige uitstroom zien dan jongeren die binnen de subgroep ‘werken’ geen mbo niveau 1 diploma hebben behaald.   Het behalen van een (branche)certificaat tijdens het verblijf in het Pro hangt niet per se samen met een bestendige uitstroom. Dit is wel het geval bij de subgroep ‘leren’, maar niet het geval bij de subgroep ‘werken’.

Jongeren binnen de subgroep ‘leren’ behalen in 66% van de gevallen een mbo niveau 2 diploma. Binnen de groep jongeren die een mbo niveau 2 diploma behaald hebben stroomt 51% door naar een mbo niveau 3-4 opleiding. Een deel van de jongeren heeft anno 2020 al een mbo niveau 3 of 4 diploma behaald.  

En ten slotte viel ook op dat er interessante verschillen bestaan tussen de verschillende gemeenten in de Stedendriehoek voor wat betreft het percentage jongeren waarbij sprake was van een bestendige dan wel niet bestendige uitstroom.

Doelstelling 3 was: welke route is het meest succesvol? Via het Pro meteen naar werk of via het Pro eerst naar het Roc en dan naar werk?  Allereerst kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een hoge mate van bestendige uitstroom binnen de Stedendriehoek. Dit zowel bij de subgroep ‘werken’ (84%), als de subgroep ‘leren’ (91%). Deze gegevens hebben betrekking op loopbanen tot maximaal zes jaar na het moment van uitstroom. Ter vergelijking: landelijk is data beschikbaar tot twee jaar na het moment van uitstroom uit het praktijkonderwijs. Dan heeft gemiddeld 88% van de jongeren een bestendige uitstroom (gaat hier om jongeren die zijn gaan werken én jongeren die een opleiding zijn gaan volgen). Vanuit dat perspectief zijn de cijfers van zowel de subgroepen ‘werken’ als ‘leren’ heel goed te noemen binnen de Stedendriehoek.

Uitgaande van bovenstaande cijfers lijkt de route via het Roc naar werk op het eerste gezicht succesvoller dan de route via het Pro naar werk. Bij de subgroep ‘leren’ is immers vaker sprake van een bestendige uitstroom en minder vaak sprake van een periode zonder werk of het niet volgen van een opleiding.

Echter, die conclusie zou te kort door de bocht zijn. Jongeren binnen de subgroep ‘leren’ kennen immers een ander profiel dan jongeren binnen de subgroep ‘werken’. Denk bijvoorbeeld aan verschillen in cognitieve, sociaal-emotionele en motorische vaardigheden. Daarnaast kan sprake zijn van een andere rol van het netwerk rondom de leerling, hierbij kan gedacht worden aan andere mogelijkheden tot ondersteuning en begeleiding vanuit de thuissituatie, de school en/of de gemeenten. Én daarnaast kunnen economische gevolgen meespelen: een crisis op de arbeidsmarkt zal eerder van effect zijn op jongeren die werken dan jongeren die nog studeren. Ten slotte is ook de schoolcontext niet een-op-een vergelijkbaar met de arbeidscontext.  Kortom: om te kunnen concluderen of 91% bestendige uitstroom bij de subgroep ‘leren’ nu echt succesvoller is dan 84% bestendige uitstroom bij de subgroep ‘werken’ vraagt om nader onderzoek.

Neem dan contact op met penvoerder namens de deelnemende scholen, mevr. A. Molleman (a.molleman@praktijkonderwijszutphen.nl) of de onderzoeker, dhr. D. Heijnens (dennis@oqadvies.nl).