Bij het onderzoekskader van toepassing op de periode 2017-2021 vormde de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt. Nieuw was ook dat scholen niet alleen het oordeel ‘voldoende’ konden krijgen, maar op basis van eigen ambities (zogenaamde eigen aspecten van kwaliteit) ook het oordeel ‘goed’ konden krijgen. Daarnaast waren er diverse inhoudelijke aanpassingen. Een voorbeeld daarvan was dat er geen landelijk vastgestelde opbrengsten gelden voor het praktijkonderwijs, maar dat scholen zelf eigen resultaatindicatoren dienen op te stellen en de realisatie hiervan jaarlijks meten en koppelen aan hun kwaliteitscyclus.

Op basis van evaluaties, ervaringen en actuele ontwikkelingen heeft de Inspectie van het Onderwijs het toezicht wederom aangepast. In het onderzoekskader is beschreven hoe het toezicht op het onderwijs is ingericht. Ook in het nieuwe onderzoekskader blijft het bestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op zijn scholen. In deze nieuwsbrief focussen we ons op het toezicht bij individuele PrOscholen.

Het toezicht is in eerste instantie gericht op het schoolbestuur. De Inspectie verwacht dat besturen zelf zicht hebben op sterke punten van de scholen en op mogelijke risico’s. Bij een bestuur dat er niet in slaagt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, voert de Inspectie

(afhankelijk van de aard van de risico’s) een onderzoek op een individuele school uit. Dit kan zowel binnen als buiten het vierjaarlijks bestuursonderzoek plaatsvinden.  Daarnaast voert de Inspectie verificatieactiviteiten uit op individuele scholen om de kwaliteit van de besturing door het bestuur te verifiëren. Naast verificatie-activiteiten op scholen waar onderdelen van de kwaliteit onderzocht worden, is het mogelijk dat op het niveau van een school oordelen gegeven worden. Dit bijvoorbeeld bij een onderzoek naar risico’s of bij een onderzoek naar de waardering ‘goed’. Een laatste type onderzoek waarbij scholen bezocht worden, zijn de themaonderzoeken. In themaonderzoeken onderzoekt de Inspectie een onderwerp in het kader van het stelseltoezicht.

Allereerst kent het onderzoekskader een nieuwe opbouw. In totaal zijn er vier kwaliteitsgebieden die bestaan uit dertien standaarden:

Kwaliteitsgebied Onderwijsproces (OP)
OP1Aanbod
OP2Zicht op ontwikkeling en begeleiding
OP3Pedagogisch-didactisch handelen
OP4Onderwijstijd
OP5Praktijkvorming/stage
OP6Afsluiting
Kwaliteitsgebied Veiligheid en Schoolklimaat (VS)
VS1Veiligheid
VS2Schoolklimaat
Kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten (OR)
OR1Resultaten
OR2Sociale en maatschappelijke competenties
Kwaliteitsgebied Sturen, Kwaliteitszorg en Ambitie (SKA)
SKA1Visie, doelen en ambities
SKA2Uitvoering en kwaliteitscultuur
SKA3Evaluatie, verantwoording en dialoog

In het onderzoekskader is per standaard aangegeven wat verstaan wordt onder basiskwaliteit (wat móet de school op orde hebben?). Hoe de school hier in de praktijk werk van maakt dient beschreven te zijn in beleidsdocumenten, zoals bijvoorbeeld het wettelijk verplichte schoolplan. 

Naast een nieuwe indeling van het onderzoekskader zijn er diverse inhoudelijke veranderingen ten opzichte van het vorige onderzoekskader. Voorbeelden daarvan zijn:

  • Een nadruk op het bieden van een aanbod gericht op loopbaanoriëntatie en – begeleiding (LOB). Dit gaat over het vormgeven van loopbaanontwikkeling door en met leerlingen. Daarbij staat een oriëntatie op een toekomstig beroep of een toekomstige opleiding centraal door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. Hier zit voor PrO een mooie koppeling met de al bestaande coachcyclus. 
  • Meer aandacht voor burgerschapsonderwijs. Hierbij ligt de focus op het bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze. Dat omvat onder meer regelmatig monitoren van de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, om het onderwijs af te stemmen op de actuele leerbehoefte van leerlingen.
  • Een nog grotere focus op de analyse van ontwikkeling/vooruitgang van zowel leerlingen als de school als geheel. Dit gaat over de vraag: worden er op het niveau van de leerling als van de school doelen gesteld en gaat de school hier vervolgens planmatig/cyclisch mee te werk? Op het niveau van de leerling gaat het over doelgericht onderwijs passend bij het uitstroomprofiel van de leerling. Is er sprake van doelgericht onderwijs en ontwikkeling conform verwachting, vindt naar aanleiding daarvan een analyse van de resultaten plaats en leidt dit tot vervolgacties op individueel en/of groepsniveau?
  • Op schoolniveau is de resultaatindicator ‘sociaal maatschappelijke competenties’ niet langer een eigen aspect van kwaliteit, maar onderdeel geworden van de wettelijke basiskwaliteit. Bij dit onderdeel heeft de school ambitieuze verwachtingen over het niveau dat de leerlingen voor de sociale en maatschappelijke competenties kunnen bereiken. Hierbij onderbouwt de school welke resultaten ze op dit gebied wil bereiken. De resultaten worden op een betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart gebracht. Hier is sprake van doelgericht en planmatig werken op schoolniveau. 
  • Het behalen van een schooldiploma. Er is een reglement opgesteld (door bestuur vastgesteld) waarin is opgenomen op basis waarvan leerlingen hiervoor in aanmerking komen. Leerlingen ontvangen een schooldiploma inclusief een portfolio met behaalde resultaten. 
  • In tegenstelling tot het vorige schoolplan is nu ook basiskwaliteit omschreven ten aanzien van het schoolklimaat. Hierbij aandacht voor de school als oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. En afstemming van de aanpak/het aanbod van de school op de leerlingpopulatie en de leefwereld van leerlingen. Ten slotte een gerichte focus op (het stelsel van) kwaliteitszorg. De schoolleiding vertaalt de visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt op het behalen van de beoogde resultaten. Hierbij beschrijft de schoolleiding op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit, wat de rol van het team hierbij is (eigenaarschap!) en hoe ze de naleving van wettelijke eisen realiseert. Dit allemaal op basis van toetsbare doelen.

Allereerst kent het onderzoekskader een nieuwe opbouw. In totaal zijn er vier kwaliteitsgebieden die bestaan uit dertien standaarden:

Indien daar behoefte aan bestaat kan OQ Onderwijsadvies uw school ondersteunen bij de vertaalslag van het nieuwe onderzoekskader naar uw school. Ondersteuning kan zich richten op bijvoorbeeld:

  • Het uitvoeren van een 0-meting: waar zit onze kracht en waar zitten onze blinde vlekken?
  • Het opstellen van nieuwe schoolplannen of jaarplannen gekoppeld aan de geactualiseerde wettelijke kaders;
  • De vertaalslag maken naar het schoolbestuur: op welke gebieden wijkt het onderzoekskader af voor het praktijkonderwijs en hoe kan hier het beste de vertaalslag gemaakt worden naar het bestuur als eindverantwoordelijke voor de onderwijskwaliteit? 
  • Het uitvoeren van inspiratiesessies met het team en/of schoolleiding over de ambitie en koers van de school.
  • Het verder ontwikkelen van ‘eigenaarschap van het team’ voor het dagelijkse onderwijs in de school en/of ‘eigenaarschap van het team’ voor het ontwikkelen van onderwijsverbeteringen.
  • Et cetera.

Meer weten? Neem dan contact op met de adviseurs van OQ Onderwijsadvies: Wout Schafrat en/of Dennis Heijnens