Het voornaamste doel van het praktijkonderwijs is om leerlingen voor te bereiden op een zo zelfstandig mogelijk functioneren in de samenleving met betaalde arbeid, al dan niet via een vervolgopleiding. Dat impliceert maatwerk: iedere leerling heeft een eigen leerroute met persoonlijke doelen. 
Vanuit dit perspectief is doelgericht onderwijs een bijzonder relevant thema in het praktijkonderwijs. Niet alleen vanuit actuele wet- en regelgeving, maar vooral als middel om leerlingen die essentiële kennis en vaardigheden aan te leren, noodzakelijk voor de uitstroombestemming. 
De vraagstelling van het onderzoek luidt: “In welke mate maakt het praktijkonderwijs werk van doelgericht onderwijs?”
Het onderzoek is uitgevoerd bij zeven scholen voor praktijkonderwijs, binnen de provincies: Gelderland, Noord-Holland, Utrecht, NoordBrabant en Zuid-Holland. 

Het onderzoek heeft plaatsgevonden gedurende de tweede helft van schooljaar 2020-2021.

Om antwoord te geven op de hoofdvraag zijn er in totaal 23 lessen geobserveerd en hebben er voor- en nabesprekingen plaatsgevonden. Per school is ervoor gekozen om minimaal twee AVO lessen en één praktijkles te observeren, waarbij gekeken is naar vier verschillende onderdelen van de les: de instructie, de kern, de afsluiting en overige onderdelen, waarbij bijvoorbeeld gekeken is naar de frequentie van een bepaalde handeling.

Binnen de observatie van de lessen is gekeken naar het onderscheid tussen drie verschillende differentiatievormen:

  • convergente differentiatie (lesdoel voor de hele groep gelijk);
  • divergente differentiatie (verschillende lesdoelen per subgroep van de klas) en 
  • gepersonaliseerd onderwijs (verschillende leerdoelen per leerling in de klas). 

Met gepersonaliseerd onderwijs wordt in dit onderzoek de organisatie van het leerproces bedoeld, waarbij de leerling samen met leerkrachten en ouders op basis van zelf gekozen doelen een eigen keuze maakt uit het onderwijsaanbod. Data zijn verzameld d.m.v. een semi gestructureerd observatieschema.

Binnen de geobserveerde lessen vallen voornamelijk de volgende zaken op:

AVO-docenten Praktijkdocenten 

• Voornamelijk sprake van convergente differentiatie. 
• Bij 1/3e van de lessen is geen sprake van differentiatie. 
• Het doel en het nut/belang van de les wordt nauwelijks benoemd. 
• Leerlingen zelf hebben geen inbreng in het te leren doel. 
• Er wordt voornamelijk groepsinstructie gegeven, behalve bij divergente differentiatie, daar wordt één-op-één instructie ingezet. 
• Nauwelijks sprake van procesgerichte feedback en feedback op zelfsturing. 
• Nauwelijks sprake van een evaluatie op het eind van de les. 

• Voornamelijk sprake van divergente differentiatie. 
• Bij 1/4e van de lessen is geen sprake van differentiatie. 
• Het doel wordt in iets meer dan de helft van de gevallen benoemd, het nut van de les wordt nauwelijks benoemd. 
• Leerlingen hebben vaker inbreng in het te leren doel, vaak wel binnen een vaststaand programma. 
• Er is voornamelijk één-op-één instructie te zien. 
• Nauwelijks feedback op zelfsturing. 
• In 3/4 gevallen is er sprake van een evaluatie op het eind van de les. 

De mate waarin didactische principes worden toegepast verschillen per avo- en praktijkles. Over het algemeen valt op dat:

  • Er wordt in zowel avo- als praktijklessen weinig tot geen aandacht besteed aan persoonlijke leerdoelen.
  • Werkbare didactische principes worden in AVO lessen in mindere mate toegepast dan bij de praktijklessen.
  • Er wordt nauwelijks gecheckt of de uitleg is begrepen.
  • In alle lessen zijn de verschillende vormen van feedback niet of nauwelijks terug te zien.
  • Aan het eind van de les komt het lesdoel nauwelijks terug en wordt er weinig vooruitgekeken naar de volgende les.

Op basis van de resultaten van het onderzoek worden er vijf verschillende aanbevelingen gedaan:

  • Visie school
    Aanbeveling is dat scholen een eenduidige visie over de opbouw of indeling van de AVO en praktijklessen opstellen, die ook breed wordt gedragen door de docenten.
  • Relatie wet- en regelgeving
    
Vanuit wet- en regelgeving dienen scholen een kader ten aanzien van pedagogisch-didactisch handelen uit te werken, welke ook zichtbaar is binnen de lessen. Dit heet in de praktijk vaak ‘de goede les’. Dit onderdeel dient gekoppeld te worden aan de eerste aanbeveling.
  • Werkbare didactische principes
    Uit de menukaart NPO (2021) blijkt dat ‘feedback’ en ‘metacognitie en zelfregulerend leren’ zorgen voor een hoge leerwinst. Bij feedback kan gedacht worden aan: taakgerichte feedback, procesgerichte feedback, feedback op zelfregulatie, feedback op zelfredzaamheid en feedback op de leerling zelf. Dit zijn didactische principes waarmee docenten het verschil kunnen maken. 
    Uit de literatuurstudie bij dit onderzoek blijkt verder ook dat een instructiemodel afhankelijk is van het type les en de aan te leren vaardigheid. En dat gewerkt kan worden met verschillende differentiatiemodellen. Docenten dienen te kunnen variëren met differentiatie- en instructiemodellen afhankelijk van het lesdoel en ondersteuningsbehoefte van de leerling.  Aanbeveling aan de scholen is om notie te nemen van de werkbare verschillende didactische principes die echt het verschil kunnen maken en deze waar gewenst te implementeren in de lessen (en koppelen aan aanbeveling 1 en 2).
  • Basis doelgericht onderwijs op orde
    
Het is van belang dat scholen de basis op orde krijgen voor wat betreft doelgericht onderwijs, oftewel het vormgeven van de inhoud van de instructie, de kern en de afsluiting van de les. Voorbeelden hiervan zijn het bespreken van het doel en het nut aan het begin van de les, checken of de uitleg is begrepen, eventueel activerende werkvormen toevoegen, evalueren van lessen (ook formatief). Hier dient op gekoerst te worden.
  • Gebruik van het IOP
    Binnen dit onderzoek zagen we wederom dat de kracht van het IOP niet volledig benut wordt. Juist dit instrument maakt het mogelijk om het onderwijs persoonlijk en betekenisvol te maken. Het is van belang dat scholen de kracht van het IOP gebruiken, zodat het een levend document wordt. Dat betekent dat er ruimte gemaakt moet worden om actief de leerdoelen met elkaar te bespreken en er een plan van aanpak voor te maken. Leerlingen zullen intrinsiek gemotiveerd moeten zijn om aan deze doelen te werken, wat bereikt kan worden als leerkrachten inspelen op de autonomie van leerlingen. Voorbeelden hiervan zijn om leerlingen te laten werken met een stappenplan, leerlingen de eigen leervorderingen bij te laten houden en deze te presenteren aan de groep en aan ouders. Dit vraagt van school en docenten een eenduidige manier van werken en afstemming tussen verschillende docenten. De betrokkenheid van ouders kan extra stimulerend werken.

Mocht de inhoud van dit artikel vragen oproepen dan kunt u contact opnemen de adviseurs van OQ Onderwijsadvies: Wout Schafrat en/of Dennis Heijnens.